Ode aan Toon

Hieronder een bijzondere bijdrage door Jace van de Ven. Het is een ode aan zijn jongere broer die onlangs overleed aan de gevolgen van kanker. Het is een van de stukken die hij voordroeg tijdens de avond van de fietsverhalen.

Toon van de Ven, medewinnaar van de koers Heeze-Veldhoven

In zijn garage sta ik. Die typische vage geur van smeermiddelen. Vier fietsen in absolute stilte aan haken in het plafond.  Op een tafel een stuurtas met een kaart van de omgeving van La Roche-en-Ardenne. Een poster van het team Barloworld aan de muur. Waarom Barloworld? Een werkbank met wat gereedschap en bidons van Skil Shimano en Canondale?
Canondale, daarvan weet ik wel waarom. Zijn laatste racefiets was een Canondale. Hij hangt hier niet meer, omdat onzen Toon wilde dat hij naar zijn zoon Dennis ging. Dennis, over wie hij zo op kon geven: “Onzen Dennis heeft weer eens meegefietst en ze er allemaal vanaf gereeje.” Als ik Dennis later met zijn prestatie complimenteer, lacht hij:  “Zegt onze vadder dat? Nou, ik ben een garage aan het bouwen en heb het hele jaar nog geen tijd gehad om mee te gaan.”

Meegaan betekent hier in Heeze, meegaan met het Rondje Laar, lengte zestig kilometer en genoemd naar een buurtschap aan de rand van Weert. Oud wedstrijdrijders als Cor Tuit, de inmiddels bijna bejaarde Theo Rutten uit Leende en Gerard Tabak rijden er mee, en natuurlijk onzen Toon zijne vriend Jack Adelaars, afgetraind krachtmens, die kilometers lang boven gemiddelde snelheid op kop kan sleuren.

Op tal van plaatsen in Brabant bestaan dit soort meedogenloze clubjes met meestal enkele oud-amateurs erin. Zij zijn vaak vernoemd naar de verste plaats die ze aandoen, Ulvenhout, Langenboom of Oostelbeers. Ze rijden om elkaar eraf te rijden, gelukkig merendeels op B-wegen, want het gaat onverantwoordelijk hard, op niemand wordt gewacht.
Ooit heeft onzen Toon die snelle jongens bij kunnen houden, de laatste jaren niet meer, niet omdat hij ouder werd, maar omdat de kanker hem van binnenuit aan het slopen was. O, hij vertelde wel, dat hij nog meer dan twintig kilometer aan het laatste wiel had gehangen, en uit piëteit sprak niemand dat tegen, maar iedereen wist, dat hij de eerste vijf minuten al af had moeten haken.
Hard fietsen ging niet meer, maar dagelijks zo’n zeventig kilometer in een redelijk gemiddelde nog wel. Hij bleef erdoor in conditie en was daardoor sterk genoeg om mee te mogen doen aan experimentele therapieën die zijn leven met zeker een jaar hebben verlengd. Vraag het de doktoren maar. Over de voordelen van fietsen gesproken!
Meer dan twintig jaar geleden, ik weet het jaar niet meer precies, ik was in ieder geval nog geen veertig en hij twee jaar jonger, koerste hij een paar seizoenen heel fanatiek mee met de mannen van Rondje Laar. Op een zaterdag kwam ik op de fiets van Tilburg naar Heeze om bij mijn ouders op bezoek te gaan. Hij was er toevallig ook en zei: “Zal ik een endje mee terugrijden voor de gezelligheid?”
Dat terugrijden heeft hooguit twintig kilometer geduurd, van de Rul in Heeze naar de Locht in Veldhoven, over een parcours waarvan grote stukken -midden door Valkenswaard en midden door Waalre- totaal ongeschikt zijn om voluit te gaan. Maar dat deden we wel, van de eerste meter af was het finale. Onzen Toon had zich in alle vriendschappelijkheid voorgenomen om zijn gestudeerde broer het snot voor ogen te rijden om daarna langs zijn neus weg te vragen: “Ik dacht dat gij zoveul fietste?”

Ik dacht dat gij zoveul fietste?

Ik weet niet of dat bij andere broers ook zo is, maar ik had zoiets van ‘ik val nog liever dood’ en heb een half uur lang niks anders dan het laatste stukje van zijn achterwiel in het oog gehouden en ervoor gezorgd dat het niet meer dan tien centimeter van mijn voorwiel verwijderd raakte. Soms gooide hij er een plotselinge acceleratie tussendoor, soms ontwikkelde hij kilometers lang een  moordend tempo, maar dat achterwiel reed gvd niet van mij vandaan. Ik hoorde mijn gloeiende adem in en uit mijn luchtpijp piepen, voelde zweetdruppels die in mijn ogen liepen en vocht tegen een kramp in mijn kuiten die elk moment definitief kon toeslaan. Vooral de laatste vier kilometer van Waalre naar Veldhoven waren onmenselijk. Daar, op een fietspad waar brave fietstoeristen van schrik de berm instuurden, als wij voorbij raasden, deed hij een ultieme poging. Had hij in het begin nog zoveel mogelijk gerouleerd alsof dit tempo hem geen moeite kostte, nu begon hij te stoempen als een Pollentier en kwam zelfs regelmatig uit het zadel. Onze broederlijk fietstocht was ontaard in één lange sprint. Ik  douwde mijn grootste verzet en kon elk moment breken. “Zo-lang-ik-kan,” scandeerde ik in mijn kop, “zo-lang-ik-kan…”

Veldhoven, ik zag het bord in een ooghoek en dacht: “Nóg een dorp, ik moet opgeven, hier komen ongelukken van.” Maar bijna op hetzelfde moment vertraagde het achterwiel voor me. Ik reed er bijna tegenaan. Onzen Toon ging rechtzitten en zei, terwijl hij probeerde niet te hijgen: “Ik  moet efkes nog iets regelen bij mijnen baas, houdoe hè.” En hij draaide het terrein van installatiebedrijf Sankomij op. Ik bolde uit tot het eind van de straat, liet mijn fiets vallen en ging net om de hoek op het trottoir zitten uithijgen. Ik weet bijna zeker dat honderd meter terug onzen Toon hetzelfde deed.

We hebben er nooit meer over gesproken, twintig jaar lang niet, zelfs niet toen we een half jaar geleden naar de Ventoux zijn geweest. Hij was toen al erg verzwakt door de kanker, maar wilde die klim, die hij nooit gedaan had, toch nog proberen te halen. Het is hem gelukt, het was een  soort afscheid voor hem en, tot hij van vermoeidheid vroeg naar bed moest, praatten we over fietsen. Over rondjes als Het Laar, Ulvenhout of Langenboom, over onbekende hardrijders in het grote onbekende Brabantse wielerpeloton, over onbestaanbare snelheden en gemiddeldes. En we lachten omdat we wisten dat meer dan de helft gelogen was.

Witte gij nog van onze fietstocht naar Veldhoven?

Pas een van de laatste dagen van zijn leven, is het gebeurd. Ik zat ik bij hem aan bed. Hij lag doodstil, de handen gevouwen, hij ademde nog zwaarder dan ik tijdens onze race van toen, nauwelijks in staat om nog iets te zeggen. En waarom weet ik niet, maar plotseling vroeg ik: “Toon, witte gij nog van onze fietstocht naar Veldhoven?” Toen opende hij even zijn ogen en glimlachte.  “Gij had gewonnen,” zei ik. Toen probeerde hij nog meer te lachen en zijn hoofd te schudden. Hij strekte twee vingers van zijn liggende handen en fluisterde: “Allebei.”  Allebei! Hij had gelijk. In de goedmoedige prestigestrijd had geen van beiden zich overgegeven.

Ach, onze Toon en ik, er zijn zoveel klasbakken in Brabant die veel harder kunnen rijden dan hij en ik ooit gekund hebben. We hadden volgens mij best talent, maar leefden er niet naar en konden het fietsen misschien ook iets teveel relativeren. Maar in ieder geval zijn we één keer tot het uiterste gegaan, zo diep dat we het allebei na meer dan twintig jaar nog wisten. Die keer dat we samen de koers Heeze-Veldhoven hebben gewonnen.

In zijn garage sta ik. Die typische vage geur van smeermiddelen. Absolute stilte. Ik ga naar buiten om terug naar Tilburg te fietsen. “Zal ik een endje meerijden,” hoor ik in mijn hoofd. Samen zetten we koers richting Veldhoven, in alle rust deze keer, de strijd is gestreden.

De strijd is gestreden

Mr. J.A.C.E. van de Ven, geboren in 1949, woont sinds 1969 in Tilburg, waar hij rechten kwam studeren. Hij ging werken bij Het Nieuwsblad van het Zuiden -nu Brabants Dagblad- waar hij ruim dertig jaar artikelen schreef over kunst, historie en fietsen. Ook veel columns en recensies. Hij is de enige die meewerkte aan alle elf Tilburgse Revue’ s die er geweest zijn, won ooit het tonpraoten, de Ad Vinkenprijs en de dialectpenning Noord-Brabant. JACE van de Ven fietste door heel Europa en schreef daar verschillende verhalen over die hij onder meer voorleest in de wilercafees van Oss en Bladel.

1 gedachte over “Ode aan Toon”

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.